Voor internationale maakbedrijven is ERP zelden een “IT-project”. Het is een keuze die direct ingrijpt op leverbetrouwbaarheid, kostprijsbeheersing, traceability en de snelheid waarmee processen kunnen veranderen. In die context ontstaat regelmatig een heroverweging: blijf je bij een manufacturing-specialist zoals QAD Cloud ERP, of past een breder, modulair platform zoals Odoo beter bij de volgende fase van de organisatie?
Zo’n vergelijking komt meestal niet voort uit onvrede over één functie, maar uit verschuivende prioriteiten. Denk aan acquisities waardoor meer bedrijfsonderdelen op één platform moeten landen, behoefte aan snellere procesiteraties, of juist strengere compliance-eisen per land en klant. Ook kan het integratielandschap (PLM, WMS, MES, EDI, kwaliteits- en lab-systemen) zó zijn gegroeid dat de beheerslast en afhankelijkheid van specifieke platformcomponenten opnieuw tegen het licht worden gehouden.
Het doel van deze blog is daarom beslisondersteunend: niet het afvinken van features, maar het expliciet maken van strategische fit, trade-offs en risico’s. De vraag is niet “welk pakket is beter?”, maar “welk pakket past beter bij onze procescomplexiteit, veranderagenda, governance en data/AI-ambities?”
De vergelijking is relevant voor drie groepen die in de praktijk samen de keuze moeten dragen. Directie en finance kijken naar strategisch risico, totale kosten (TCO) en wendbaarheid. Operations beoordeelt de impact op planning, shopfloor, kwaliteit en supply chain, inclusief verstoringsrisico tijdens migratie. IT en security kijken naar architectuur, integratie, data governance, compliance en controle over data (inclusief data sovereignty en hostingkeuzes).
Scope en aannames in deze blog: we gaan uit van een cloud-first uitgangspunt, een multi-site en mogelijk multi-country situatie, en manufacturing + supply chain als kern. We beperken ons tot het vergelijken van QAD Cloud ERP (zoals QAD dit in de geraadpleegde bronnen positioneert) met Odoo als modulair bedrijfsplatform. Waar details afhankelijk zijn van editie, implementatiepartner of aanvullende modules, benoemen we dat expliciet als onzekerheid of keuzevariabele.
Leeswijzer: eerst schetsen we het type ERP waar QAD en Odoo voor staan. Daarna volgen de gebieden waarin QAD doorgaans sterker is, en de gebieden waarin Odoo vaak voordelen heeft. Vervolgens werken we een vergelijking uit per domein (functionaliteit, integratie, governance), inclusief een invulbaar scorecard-kader. Daarna gaan we dieper in op AI, data, integratie en data sovereignty. Tot slot behandelen we kosten en overstapimpact, gevolgd door een conclusie met vervolgstappen en een sectie over hoe een onafhankelijke partij dit traject kan ondersteunen.
Een nuttige eerste stap is erkennen dat QAD en Odoo vanuit verschillende “ERP-filosofieën” vertrekken. Dat bepaalt niet alleen functionaliteit, maar ook hoe je implementeert, uitbreidt en bestuurt.
QAD positioneert zich expliciet als manufacturing ERP, ontworpen voor zes verticale industrieën binnen manufacturing (waaronder automotive, consumer products, food & beverage, high tech manufacturing, industrial manufacturing en life sciences). QAD communiceert daarnaast een wereldwijde footprint met klanten in tientallen landen. Dit duidt op een productstrategie waarin industriespecifieke processen, compliance-varianten en internationale operaties een centrale rol spelen.
Odoo is breder gepositioneerd als modulair bedrijfsplatform met een brede set applicaties (van CRM en sales tot finance, voorraad, projecten en service). In de praktijk zie je Odoo bij MKB/scale-ups en mid-market organisaties, vaak sector-agnostischer. De manufacturing-diepte kan passend zijn, maar is in sterke mate afhankelijk van gekozen modules, configuratie en eventuele aanvullende apps/maatwerk.
Bij QAD past het beeld van een internationaal maakbedrijf met supply chain- en fabriek/process-complexiteit: meerdere sites, variatie in productfamilies, klant- en land-specifieke eisen, en vaak een nadruk op planning, traceability en kwaliteitsprocessen. De inrichting is daarbij regelmatig afgestemd op specifieke sectorpatronen (bijvoorbeeld automotive ketenlogica of life sciences compliance).
Odoo zie je vaak in scenario’s waar end-to-end processen op één platform gewenst zijn, met snelle uitrol van modules en iteratieve verbetering. Het sterke punt is niet per se maximale diepgang in één verticale maakindustrie, maar het snel kunnen harmoniseren van bedrijfsprocessen over afdelingen heen. Voor manufacturing geldt: hoe complexer de shopfloor- en kwaliteitsrequirements, hoe belangrijker het is om vooraf te toetsen of Odoo standaard voldoende is of dat aanvullingen nodig zijn.
In de geraadpleegde bronnen profileert QAD Cloud ERP zich als cloud-deployment binnen “QAD Cloud”. Een expliciete self-hosting/on-prem optie is daar niet uitgewerkt. Dit is relevant voor organisaties met strikte eisen rond datalokatie, sleutelbeheer of netwerksegmentatie: die eisen kunnen nog steeds haalbaar zijn, maar vragen dan om specifieke contractuele en technische bevestiging (bijvoorbeeld regio-keuze, tenant-segregatie, logging, encryptiesleutels).
Odoo kent, afhankelijk van editie en gekozen route, meerdere deploymentmogelijkheden: cloud-hosting, partnerhosting en in sommige scenario’s eigen hosting. Dit beïnvloedt IT-keuzes: met eigen hosting kun je meer controle organiseren (bijvoorbeeld over data residency en sleutelbeheer), maar je neemt ook operationele verantwoordelijkheid op je (patching, monitoring, beschikbaarheid). In cloud-hosting koop je die verantwoordelijkheid in, maar lever je doorgaans in op configuratieruimte rondom infrastructuurkeuzes.
QAD benoemt uitbreidbaarheid via het QAD Enterprise Platform en integratie via een QAD Integration Platform dat gebruikmaakt van Boomi, aangevuld met REST API’s om capabilities te ontsluiten. Dit wijst op een platform/partner-gedreven extensie- en integratiestijl, waarbij iPaaS en platformcomponenten een relatief centrale rol spelen.
Odoo heeft een groot app-ecosysteem en een eigen ontwikkelframework waarmee functionaliteit kan worden uitgebreid of aangepast. Dat kan de time-to-change verhogen, maar het legt ook nadruk op governance: wat is configuratie, wat is maatwerk, hoe borg je upgrades, en wie is eigenaar van de code en teststrategie?
Een praktische vuistregel voor de start van de vergelijking: een “best-of-suite manufacturing ERP” is vaak logisch wanneer verticale diepgang, compliance en planning/kwaliteit/traceability de dominante waarde drijven, en wanneer procesvariatie per site en land structureel hoog is. Een modulair platform is vaak logisch wanneer consolidatie over domeinen (sales–delivery–service–finance), snelheid van procesverandering en uniformiteit van gebruikerservaring zwaarder wegen, en manufacturing-eisen voldoende afgedekt kunnen worden via configuratie of gerichte aanvullingen.
QAD’s kracht zit in de positionering als manufacturing-specialist. Voor organisaties die binnen die scope vallen, kan dat leiden tot minder fit-gap op kritieke processen en minder noodzaak tot het “bouwen” van industriespecifieke logica.
QAD is expliciet ontworpen voor specifieke manufacturing-verticals. Dit vertaalt zich doorgaans in procesmodellen, terminologie en best practices die aansluiten op sectorrealiteit. In sectoren zoals automotive en life sciences kan dat belangrijk zijn: eisen rond traceability, kwaliteitsregistratie, change control, klant-specifieke logistieke afspraken en auditability komen niet als bijzaak, maar als kern.
De trade-off is dat deze vertical focus minder flexibel kan aanvoelen voor organisaties die buiten die verticals vallen of die een hybride businessmodel hebben (bijvoorbeeld maakbedrijf + servicebedrijf + projectbusiness). Dan is de vraag of het pakket vooral “manufacturing-first” blijft, en of de rest van de bedrijfsvoering gelijkwaardig meekomt of via aanvullende oplossingen wordt ingevuld.
In omgevingen met hoge variatie (veel SKU’s, varianten, wisselende vraag), multi-site planning en internationale supply chain sturing is de consistentie en diepgang van planning- en uitvoeringsprocessen vaak doorslaggevend. QAD wordt door de eigen positionering sterk geassocieerd met dit type complexiteit. Dat kan relevant zijn wanneer productiecontinuïteit en leverbetrouwbaarheid direct gekoppeld zijn aan strakke planning, exception management en robuuste processen rond inkoop, voorraad en productie-uitvoering.
Belangrijk is wel dat “sterk in complexiteit” niet automatisch betekent “minder implementatierisico”. Complexe omgevingen vragen altijd om gedisciplineerde masterdata, duidelijke parameters en procesgovernance. Een pakket dat veel kan, kan ook veel verkeerd parametriseren. De kwaliteit van implementatie en change management blijft bepalend voor de uitkomst.
QAD noemt internationalization en land-specifieke compliance als expliciete capability. Voor organisaties met meerdere landen, meerdere entiteiten en klant-specifieke eisen (bijvoorbeeld EDI-varianten, labeling, exportdocumenten, of sector-eisen) is dit een belangrijk beslispunt. In de praktijk gaat het niet alleen om “multi-currency” en “multi-language”, maar om de mate waarin processen en rapportages auditbaar en herhaalbaar zijn per land.
Ook hier geldt een trade-off: internationale ondersteuning in het product reduceert risico, maar kan gepaard gaan met een zwaarder governance-model (standaardisatie vs lokale varianten) en mogelijk hogere licentie- en implementatiekosten.
QAD positioneert embedded analytics en reporting als onderdeel van de kernpropositie: self-service, rolgebaseerde KPI’s, een reporting framework en een genoemd data lake. Dit kan aantrekkelijk zijn als je analytics niet als los BI-project wilt organiseren, maar als “procesnabij” instrument voor sturen en verbeteren. In manufacturing is dat vaak concreet: afwijkingen in scrap, OEE-varianten, leverbetrouwbaarheid, supplier performance, quality incidents en doorlooptijd.
De onzekerheid zit in de precieze scope: welke datasets zijn standaard beschikbaar, hoe verhoudt embedded reporting zich tot enterprise BI (bijvoorbeeld een lakehouse), en hoe voorkom je KPI-proliferatie (meerdere definities van dezelfde KPI)? Het succes van embedded analytics hangt sterk af van governance rond definities, data-eigenaarschap en datakwaliteit.
QAD claimt extensibility via het QAD Enterprise Platform op een manier die minder “upgrade-remmend” is dan klassiek maatwerk. Als dat in de praktijk klopt voor jouw use-cases, is dat strategisch relevant: het verlaagt de cost-of-change en maakt het realistischer om releases te blijven volgen zonder grote retrofit-trajecten.
De trade-off is dat je extensies dan vaak binnen het platformparadigma van QAD bouwt. Dat vraagt specifieke skills, en mogelijk ook licenties of platformcomponenten. Het is verstandig om bij een fit-gap analyse onderscheid te maken tussen: (1) configuratie, (2) platform-extensie (upgrade-vriendelijk), en (3) afwijkingen die alsnog upgrade-risico of lock-in introduceren.
Odoo’s kracht ligt meestal niet in “maximale diepgang in één niche”, maar in brede procesdekking op één platform, met een relatief consistente gebruikerservaring en een modulair adoptiepad.
Organisaties die worstelen met versnipperde applicaties (CRM apart, service apart, projecten apart, finance apart) kunnen veel waarde halen uit één platform met uniforme flows. Dat kan bijvoorbeeld leiden tot betere overdracht van offerte naar order naar levering, of tot één klantbeeld over sales, service en facturatie.
In een maakbedrijf kan dit vooral relevant zijn wanneer aftersales/service, projecten of contracten een grotere rol gaan spelen, of wanneer de commerciële en operationele afstemming (ATP, levertijden, configuratie) beter moet. De trade-off is dat manufacturing-specifieke diepgang soms moet worden aangevuld met apps/maatwerk of integraties met specialistische shopfloor-systemen.
Odoo leent zich vaak voor stapsgewijze uitrol: eerst finance en sales, daarna voorraad en inkoop, daarna productie, kwaliteit of onderhoud. Dit past bij organisaties die iteratief willen verbeteren of die door groei/acquisities regelmatig nieuwe entiteiten moeten aansluiten.
Die snelheid werkt alleen als er governance is. Zonder duidelijke product ownership, backlogprioritering en testdiscipline kan “snel aanpassen” omslaan in “snel fragmenteren”. Een modulair platform vraagt dus om een volwassen veranderorganisatie: wie beslist over processtandaarden, hoe worden wijzigingen getest, en hoe manage je lokale uitzonderingen?
Een praktisch voordeel van een platform met veel configuratiemogelijkheden is dat procesowners en key users vaker direct kunnen meedenken en itereren. Denk aan het aanpassen van goedkeuringsflows, schermen, velden, rapporten of eenvoudige automatisering. Dit kan de afstand tussen businessbehoefte en oplossing verkleinen.
De trade-off is dat je snel duidelijke kaders nodig hebt: welke wijzigingen mogen key users doen, welke wijzigingen zijn “platform-impacting”, en hoe borg je dat aanpassingen geen ongewenste gevolgen hebben voor compliance (audit trails), masterdata of integraties? Zeker in gereguleerde omgevingen is het verstandig om een change control-proces te ontwerpen dat snelheid en controle combineert.
Odoo’s app-ecosysteem en het eigen framework kunnen integraties en uitbreidingen versnellen, zeker bij gangbare processen. Dit kan aantrekkelijk zijn wanneer je veel “horizontale” integraties hebt (bijvoorbeeld e-commerce, marketing automation, payment providers) of wanneer je snel functionaliteit wilt toevoegen zonder een zwaar platformlandschap.
Daar staat een belangrijk trade-off tegenover: maatwerk in het applicatiefundament vraagt discipline rond upgrades. Als uitbreidingen niet upgrade-proof zijn, verschuift de besparing in implementatie naar hogere onderhoudskosten later. Het is daarom essentieel om bij Odoo expliciet te bepalen wat je “core” houdt en wat je via integraties of extensies organiseert.
In veel situaties kan een modulair platform een kostenmodel bieden dat meegroeit met scope: je start kleiner en breidt uit. Dat is aantrekkelijk als de roadmap onzeker is of wanneer je eerst wilt bewijzen welke processen echt op ERP thuishoren.
De onzekerheid zit in de totale TCO wanneer manufacturing- en internationale eisen stijgen: extra modules, extra integraties, meer testcapaciteit, meer data/BI-werk en mogelijk zwaardere hosting/security eisen. Een eerlijke vergelijking vraagt daarom een scenario-analyse: “base case” (standaard) versus “target state” (met alle must-haves zoals traceability, quality, multi-country finance, EDI, etc.).
Een goede vergelijking combineert positionering met concrete “must-haves” per domein. Hieronder staan de belangrijkste vergelijkingsassen, met aandacht voor waar keuzes afhangen van implementatie en configuratie.
QAD is een manufacturing-vertical specialist. Dat betekent doorgaans: meer ingebouwde diepgang voor specifieke maakindustrieën en een productroadmap die vooral rond manufacturing en supply chain draait.
Odoo is een generiek, modulair platform. De fit voor manufacturing hangt af van de diepte die je nodig hebt en van de bereidheid om via configuratie, apps of maatwerk aan te vullen. Dit kan gunstig zijn als je primair platformconsolidatie zoekt, maar het is risicovoller als je “vertical requirements” dominant zijn.
Manufacturing: bij de beoordeling van manufacturing gaat het in de praktijk om planning (MRP/APS-achtige vraagstukken), shopfloor-ondersteuning, routings en capaciteit, kwaliteitsprocessen, en traceability. QAD is hier vaak sterk door de sectorgerichte inrichting. Bij Odoo is de vraag: welke functionaliteit is standaard, welke gaps zijn acceptabel, en welke moeten worden opgevuld via apps of maatwerk? Een gap die op papier klein lijkt (bijvoorbeeld afwijkingsafhandeling in quality) kan in uitvoering grote impact hebben op audits en klantclaims.
Supply chain: inkoop, voorraad, logistiek en multi-site sturing zijn beslisfactoren wanneer leverperformance kritisch is. QAD’s positionering suggereert sterke ondersteuning voor internationale, complexe supply chains. Odoo kan goed werken in minder complexe scenario’s of wanneer processen gestandaardiseerd zijn, maar bij hogere complexiteit is het belangrijk te toetsen hoe exception management, intercompany, en ketenintegraties (EDI, transport, leveranciersportalen) zijn ingericht.
Finance: multi-country finance gaat verder dan boekingsregels. Denk aan consolidatie, lokale compliance, audit trails, rapportage en closing-processen. QAD benoemt internationalization expliciet. Bij Odoo hangt veel af van lokale vereisten en de inrichting (en eventueel lokale add-ons). Als finance zwaar gereguleerd is of als consolidatie/close snelheid een KPI is, moet dit domein expliciet in een proof-of-concept worden getest.
Analytics/reporting: QAD positioneert embedded analytics met rolgebaseerde KPI’s en een reporting framework. Bij Odoo is de rapportage-aanpak vaak meer afhankelijk van gekozen reporting-lagen en BI-tooling. Een beslispunt is: wil je “in-app” operational analytics (dicht op het proces) of bouw je een aparte BI-laag (DWH/lakehouse) voor enterprise reporting? Voor veel organisaties is een hybride realistisch: operationele dashboards in ERP, strategische KPI’s in een centrale dataomgeving. Dan moet je bepalen hoe makkelijk data ontsloten en beheerd kan worden.
QAD’s integratiebenadering is in de bronnen gekoppeld aan een integratieplatform gebaseerd op Boomi, plus REST API’s. Dit kan voordelen hebben in enterprise integraties: centrale monitoring, herbruikbare flows, en een consistent integratiepatroon. Tegelijkertijd is het een risico- en kostenfactor als het platform licenties vereist, specifieke skills vraagt en een extra laag in de architectuur introduceert. De juiste vraag is: hoeveel integraties heb je, hoe vaak veranderen ze, en welke monitoring en governance heb je nodig?
Odoo’s integratie- en uitbreidingsstijl leunt sterker op connectoren/apps en het eigen framework. Dat kan sneller zijn bij gangbare koppelingen, maar vereist discipline om “spaghetti-integraties” te vermijden. Een veelvoorkomend patroon is: voor een klein landschap kan direct API/connector volstaan; bij groei (veel systemen, hoge change rate, compliance-eisen) loont een iPaaS-laag voor standaardisatie en monitoring. Welke route je kiest is minder een Odoo-vraag en meer een enterprise-architectuurvraag.
Change management: ongeacht het pakket moet je een release- en teststrategie kiezen. QAD als cloudoplossing impliceert een vendor-releasecadans waar je op moet aansluiten. Odoo kent ook releases, maar de impact hangt sterk af van hoeveel je hebt aangepast. In beide gevallen is een regressietestaanpak cruciaal, zeker rond planning, quality, EDI en finance. De rolverdeling tussen business en IT (wie mag wat wijzigen) moet expliciet worden ingericht.
Security/compliance: QAD verwijst naar een Trust Center met certificeringen en compliance claims (o.a. ISO 27001, SOC 1/2, GDPR, TISAX en EU-US DPF). Dat kan een versneller zijn in vendor assurance, maar de details die voor data sovereignty relevant zijn (zoals data residency per regio, customer-managed keys, tenant-isolatie en logging) moeten in due diligence worden bevestigd. Bij Odoo is security en compliance sterker afhankelijk van deployment: met eigen hosting kun je meer controle inrichten, maar dan moet je die controles ook daadwerkelijk beheren en auditen.
Om discussie te structureren helpt een scorecard met weging. Een bruikbaar set criteria:
Laat procesowners en IT samen scoren op “must-have fit” en “risico/complexiteit”. Het doel is niet een perfecte score, maar zicht op waar onzekerheden zitten en welke aannames je moet bewijzen.
AI is in ERP-context pas waardevol als het aansluit op concrete beslissingen en processen: planning-exceptions, kwaliteitsafwijkingen, voorraadoptimalisatie, of implementatieproductiviteit. De belangrijkste vraag is daarom niet “heeft het pakket AI?”, maar “welke use-cases zijn productierijp, welke data is nodig, en hoe is governance geregeld?”
QAD communiceert “Champion AI” (agentic AI) gericht op implementatie, productiviteit en business optimization, met manufacturing-use-cases als context. Op basis van de beschikbare informatie is niet volledig duidelijk welke onderdelen standaard zijn inbegrepen en welke optioneel zijn. Voor besluitvorming betekent dit: je moet AI niet als marketingclaim beoordelen, maar als productonderdeel met scope, datatoegang, security en pricing.
Bij Odoo is AI-toepassing doorgaans heterogener: beoordeel per proces waar AI kan helpen (support, forecasting, automatisering) en hoe dit samenhangt met je deployment en edition. In veel organisaties zal AI in de praktijk niet alleen “in ERP” zitten, maar ook in omliggende tooling (BI, dataplatform, RPA, copilots). Dan is het vooral belangrijk hoe goed ERP data kan ontsluiten en hoe je governance inricht.
QAD benoemt embedded analytics en een data lake. Voor besluitvorming is het relevant om te begrijpen of dit data lake een centrale, herbruikbare laag is voor enterprise reporting en AI, of primair een interne analyticslaag. Stel vragen over datamodellen, exportmogelijkheden, eventing, latency en data lineage.
Bij Odoo is het uitgangspunt vaak het applicatiedatamodel, met reporting in-app en/of via externe BI. Naarmate complexiteit stijgt (multi-site, multi-country, veel integraties) ontstaat vaak behoefte aan een aparte dataomgeving (DWH/lakehouse) om “single source of truth” op enterprise niveau te borgen. Dat is geen nadeel op zichzelf, maar wel een kosten- en governancecomponent die je moet meenemen.
QAD’s integratieplatform (Boomi) wijst op een iPaaS-centrisch patroon. Dit kan passend zijn bij een landschap met veel koppelingen, waar monitoring, foutafhandeling en herbruikbaarheid belangrijk zijn. Het risico is dat licenties en skills schaars zijn of dat integratie-eigenaarschap diffuus wordt (vendor vs partner vs intern). Neem daarom licentie- en beheerafspraken expliciet mee in de architectuurkeuze.
Odoo kent vaak een pragmatischer start met API’s en connectoren. Bij groei kan een iPaaS alsnog logisch zijn, juist om governance te verbeteren. Keuzecriteria zijn onder meer: aantal systemen, kritikaliteit van integraties (EDI, WMS/MES), change rate, observability (logging/monitoring) en security-eisen (tokenbeheer, netwerksegmentatie).
Data sovereignty gaat over meer dan “GDPR”: het gaat om controle over waar data staat, wie erbij kan, hoe sleutels worden beheerd, hoe logging/auditing is ingericht en hoe je kunt uitstappen (exit). Voor QAD zien we in openbare bronnen vooral certificeringen en compliance claims via het Trust Center. Tegelijk zijn er open punten voor due diligence: welke regio’s/datacenters zijn beschikbaar, hoe werkt tenant-level data residency, en welke opties bestaan er voor customer-managed keys (CMK) of bring-your-own-key (BYOK)? Als dit voor jouw organisatie een harde eis is, maak het een contractueel criterium.
Bij Odoo hangt data sovereignty sterk af van hostingkeuze. Met EU-hosting of eigen hosting kun je EU data residency explicieter borgen, maar je moet dan ook technische en organisatorische maatregelen inrichten: encryptie, sleutelbeheer, toegang (IAM), logging, back-up en incident response. Leg dit vast in een controleframework (bijv. gebaseerd op ISO 27001), zodat de keuze niet alleen technisch maar ook auditbaar wordt.
De businesscase van een ERP-overstap wordt vaak te optimistisch gemaakt door alleen licentieprijzen te vergelijken. In de praktijk zit het verschil in implementatie, integratie, data, test, training en tijdelijke productiviteitsdip. Een zinvolle vergelijking vraagt daarom een TCO-structuur én een realistische transitie-inschatting.
Eenmalige kosten bestaan meestal uit: implementatie (procesontwerp, configuratie), integratiebouw, data-migratie (extract, opschoning, mapping), rapportage/BI-aanpassingen, test (inclusief performance en ketentests), training en change management, en eventueel tijdelijke dubbele run (parallel run) of extra capaciteit in de operatie.
Terugkerende kosten omvatten: licenties/subscriptions, hosting (als niet inbegrepen), support/managed services, doorontwikkeling (backlog), integratieplatformkosten (bijvoorbeeld iPaaS-licenties), en de structurele test- en releasecapaciteit. Ook dataplatform- en BI-kosten moeten hierin worden meegenomen als analytics buiten ERP wordt georganiseerd.
Organisatorische kosten zijn vaak onderschat: tijd van key users, procesowners, data stewards, interne IT, en de kosten van tijdelijke productiviteitsverlies in de eerste maanden na livegang.
ROI moet niet alleen uit “softwarebesparing” komen. Realistische baten zitten vaak in: lagere voorraad (betere planning), minder scrap/rework (kwaliteit), kortere doorlooptijden, minder handmatige administratie, sneller financieel close, of minder IT-beheer door consolidatie. Koppel baten aan meetbare KPI’s en definieer een nulmeting.
Processen: een kernkeuze is herontwerp versus “lift-and-shift”. Herontwerp kan baten opleveren en technical debt verminderen, maar verhoogt veranderimpact en implementatierisico. Lift-and-shift is sneller, maar kan suboptimale processen consolideren. In manufacturing is het risico van procesverandering direct: fouten in parameters of routings kunnen stilstand of leverproblemen veroorzaken. Daarom is een gefaseerde aanpak (pilot site of productlijn) vaak veiliger dan big bang, mits integraties en masterdata dat toelaten.
Data: masterdata opschoning (artikelen, BOM’s, routings, leveranciers, klanten) is meestal het kritieke pad. Daarnaast is er de vraag hoeveel historiek je migreert. Volledige historiek migreren is duur en risicovol; vaak is een combinatie logisch: operationele open posten migreren, historiek ontsluiten via een archive/BI-laag. De migratiestrategie (cutover vs parallel run) moet passen bij de kritikaliteit van productie en leverbetrouwbaarheid.
Een overstap betekent bijna altijd integraties herontwerpen: EDI, WMS, MES, PLM, transport, kwaliteits- of lab-systemen, e-commerce, en rapportagefeeds. Als het huidige landschap rond QAD sterk leunt op Boomi, dan is de vraag: migreer je integraties mee naar een nieuw patroon (bijv. Odoo + iPaaS), of ga je tijdelijk hybride werken? Het effort hangt af van het aantal koppelingen, de complexiteit van mapping en de foutafhandelingslogica. Maak daarom vroeg een integratie-inventaris met criticality en teststrategie per keten.
Een ERP-wissel verandert rollen. Je hebt key users nodig per domein, een product owner die prioriteiten bewaakt, integratiebeheer (monitoring, incidentafhandeling) en ownership op reporting/analytics (wie beheert KPI-definities?). Daarnaast verandert vaak interne controle: autorisaties, audit trails, en procedures voor change control. In omgevingen met SOX-achtige eisen of gereguleerde klantcontext (bijv. life sciences) moet change management aantoonbaar zijn, wat extra eisen stelt aan documentatie en testbewijslast.
Een overstap is economisch vaak niet rationeel wanneer (1) de huidige oplossing diep aansluit op vertical requirements die je elders alleen met zwaar maatwerk of extra systemen kunt realiseren, (2) de organisatie beperkte verandercapaciteit heeft (key users niet beschikbaar, veel parallelle projecten), of (3) productiecontinuïteit zó kritisch is dat transitie- en stabilisatierisico niet acceptabel is zonder zeer zware mitigerende maatregelen.
Een overstap is juist logisch wanneer (1) platformconsolidatie aantoonbaar TCO verlaagt (minder applicaties, minder integraties), (2) de organisatie sneller wil kunnen itereren en standaardiseren, of (3) de business verandert (meer service/projecten, andere go-to-market) waardoor de huidige manufacturing-focus niet meer de dominante behoefte is. In al deze gevallen is het essentieel om de businesscase te baseren op meetbare baten en expliciete risicoreserves.
QAD ligt doorgaans voor de hand wanneer verticale manufacturing-diepte, globale compliance en manufacturing-nabije embedded analytics de dominante criteria zijn. Het product is duidelijk geoptimaliseerd voor internationale maakbedrijven met sector-specifieke eisen en supply chain complexiteit.
Odoo ligt doorgaans voor de hand wanneer brede suite-consolidatie, modulaire groei en snelheid/aanpasbaarheid zwaarder wegen, en wanneer de manufacturing-eisen óf binnen Odoo’s mogelijkheden vallen óf beheersbaar zijn via gerichte aanvullingen. De fit is dan minder “gegeven” door vertical templates en meer “gemaakt” via governance, configuratie en (waar nodig) uitbreiding.
Gebruik een shortlist met criteria en weging (bijv. de scorecard uit sectie 5) en organiseer een workshop met procesowners (planning, productie, kwaliteit, logistiek, finance) en IT/security. Laat teams scoren op twee assen: (1) functionele fit op must-haves en (2) implementatie-/governancerisico. Leg aannames vast, vooral waar de uitkomst onzeker is.
Ontwerp een proof-of-concept op 2–3 kritieke processen, bij voorkeur ketenbreed. Voor manufacturing zijn dit vaak: (1) planning met exceptions en herplanning, (2) quality + traceability (incl. afwijkingen en audit trail), en (3) financial close/reporting over meerdere entiteiten. Definieer per proces meetcriteria (doorlooptijd, foutafhandeling, rapportage, autorisatie) en neem integratie-aspecten mee (bijv. EDI of MES/WMS).
Een praktische fasering is vaak: pilot site of productlijn → stabilisatie → uitrol naar overige sites. Bepaal integraal de integratievolgorde (welke ketens moeten op dag 1 werken) en het reporting/BI-pad (welke KPI’s in ERP, welke in BI). Voorkom dat reporting “achteraf” wordt gebouwd; stuurinformatie is onderdeel van operatie, niet een add-on.
Maak risicobeheersing expliciet: contractuele eisen (SLA, data residency, audit rights, exit), een exit-strategie (data-export, archivering), en een test/cutover-plan dat productiecontinuïteit beschermt. Voor data sovereignty: leg vast waar data staat, hoe sleutels worden beheerd, en hoe toegang en logging worden gecontroleerd. Voor integraties: definieer monitoring en incidentrespons, zodat verstoringen snel zichtbaar en oplosbaar zijn.
Een gestructureerde fit-gap analyse begint bij scope-afbakening en procesmapping langs value streams (order-to-cash, procure-to-pay, plan-to-produce, quality-to-release). Daarbij worden must-haves en nice-to-haves expliciet gemaakt en per afdeling vastgelegd in een gap-register. Dit helpt om discussies te verschuiven van “voorkeur” naar “bewijs”: welke gaps zijn echt businesskritisch, en welke zijn proceskeuzes?
Op basis van het huidige landschap kan een doelarchitectuur worden ontworpen, inclusief keuze voor iPaaS versus point-to-point, API-strategie, en een monitoring- en beheermodel. Daarbij wordt ook gekeken naar eigenaarschap: wie beheert integraties, wie monitort, en hoe worden wijzigingen getest en uitgerold? Dit is vaak bepalend voor de beheersbaarheid na livegang.
Voor data en analytics is ondersteuning vaak nodig bij KPI-definities, datakwaliteit, migratieplanning en BI-architectuur. Praktisch betekent dit: één set KPI-definities (met owner), een migratieplan met datakwaliteitscontroles, en een keuze of je enterprise reporting in ERP houdt of in een DWH/lakehouse (of hybride). Dit voorkomt dat “rapportage” pas na implementatie wordt opgelost.
Bij selectie kan ondersteuning bestaan uit een RFP-structuur, vendor/partner-evaluatie, een TCO-model en een contract/SLA-checklist. Cruciaal is dat “open punten” (zoals data residency-opties, sleutelbeheer, audit rights, AI-inbegrepenheid) niet als aanname blijven staan, maar contractueel of technisch worden bevestigd.
Tot slot is implementatiegovernance vaak de factor die de uitkomst maakt of breekt: programma-inrichting, risico- en releasebeheer, teststrategie en regie op cutover/parallel run. Met duidelijke governance wordt het verschil kleiner tussen “pakketkeuze” en “projectuitkomst” — en dat is uiteindelijk waar besluitvorming op moet sturen.