Veel KMO’s in de voedingssector werken met een sectorspecifiek ERP dat historisch mee gegroeid is met productie, traceerbaarheid en magazijnoperaties. Tegelijk groeit de druk om processen end-to-end te digitaliseren: van CRM en pricing tot planning, kwaliteit, rapportering en integraties met klanten/leveranciers. In die context komt vaak dezelfde vraag terug: optimaliseren we het bestaande ERP, of is een overstap naar een breder platform zoals Odoo rationeel?
Deze blog vergelijkt Foodmaster ERP (We solve IT) met Odoo vanuit een beslisondersteunend perspectief. Het doel is niet om “het beste ERP” aan te wijzen, maar om de trade-offs zichtbaar te maken: waar is de fit het sterkst, waar zitten risico’s, en wat betekent dit voor totale kost, organisatie en data.
De vergelijking is vooral relevant voor Belgische voedings-KMO’s met één of meerdere van de volgende profielen: productiebedrijven (incl. recepturen en kostprijs), groothandel/distributie, slachthuizen en slagerijen. In die omgevingen zijn lotbeheer, tracking & tracing, kwaliteitscontrole en weging/scanning op de vloer vaak “must-haves” die niet mogen falen bij verandering.
Scope en aannames: voor Foodmaster baseren we ons op publiek beschikbare informatie (modules, genoemde integraties, focus op food en België). Voor Odoo gaan we uit van Odoo als modulair ERP-platform met standaardmodules, configuratie en waar nodig maatwerk via partners. Waar details niet publiek zijn (bv. hostingkeuzes, API-mogelijkheden of updatebeleid bij Foodmaster), benoemen we expliciet de onzekerheid en welke vragen dat oproept.
Leeswijzer: per domein kijken we naar (1) kritische must-haves, (2) mogelijke nice-to-haves, (3) risico/complexiteit en (4) impact op mensen en processen. Wie een beslissing moet voorbereiden (directie/operations/IT) kan dit gebruiken als kader voor workshops, demo’s op realistische cases en een objectieve fit-gap analyse.
Foodmaster ERP is duidelijk gepositioneerd als sectorspecifiek ERP voor de voedingssector, met een KMO-focus en een sterke Belgische context (o.a. Belgische boekhouding en wettelijke rapportering). Publiek worden modules genoemd voor productie (recepten/technische fiches, kostprijs, planning), kwaliteit (HACCP/GMP/IFS), magazijn (RF-scanning, weegposten) en distributie. Die “verticale” positionering betekent doorgaans: veel diepgang in een afgebakende set processen die in food echt essentieel zijn.
Odoo is een brede, modulaire ERP-suite die meerdere bedrijfsdomeinen afdekt: verkoop, CRM, marketing, website/e-commerce, voorraad, productie, boekhouding, HR, project, service, enzovoort. Het platform is ontworpen om te groeien per module en per entiteit. Het is daarmee “horizontaal”: minder sectorspecifiek out-of-the-box, maar wel een brede suite die kan standaardiseren over meerdere afdelingen en bedrijfsonderdelen.
Architectuur en implementatiemodel op hoofdlijnen verschillen vaak in aanpak. Foodmaster lijkt (op basis van de publiek benoemde koppelingen) sterk te focussen op food-processen en shopfloor/hardware. Tegelijk is er publiek beperkt detail over technologiekeuzes, release- en updatebeleid, API’s en roadmap. Dat betekent niet dat die er niet zijn, maar wel dat je deze informatie actief moet ophalen in het selectieproces.
Bij Odoo is het uitgangspunt meestal: standaardmodules combineren met configuratie (workflows, velden, rechten, rapportering) en pas daarna maatwerk. De kwaliteit van het eindresultaat hangt sterk af van implementatiekeuzes en partnerervaring, vooral in sectoren met harde operationele eisen zoals lot- en weegprocessen.
Als baseline voor de vergelijking gebruiken we daarom een praktisch startpunt: “fit-to-industry” (Foodmaster) versus “fit-to-standard” (Odoo). Voor voedingsbedrijven zijn de referentieprocessen vaak: lot/traceability, kwaliteitsregistratie, weging/etikettering, voorraadnauwkeurigheid en auditbaarheid. Een keuze is zelden puur functioneel; het gaat om de combinatie van proceszekerheid, uitbreidbaarheid en beheersbaarheid op lange termijn.
Foodmaster lijkt, op basis van de publieke modulebeschrijvingen, het sterkst in die domeinen waar de voedingssector specifieke diepgang en “harde” operationele ondersteuning vraagt.
Voor productiebedrijven in food is receptuur- en fichebeheer geen administratieve bijzaak, maar de kern van kostprijs, marge, kwaliteit en compliance. Foodmaster benoemt technische fiches/recepten, kostprijsberekening, productieplanning en stock per lot. Dat wijst op ondersteuning die rekening houdt met typische food-realiteit: batchgewijze productie, variabele opbrengsten, grondstoffen met houdbaarheid en lotnummers, en de nood om achteraf te kunnen reconstrueren welke inputs in welke outputs gegaan zijn.
In een overstapscenario is precies deze diepgang vaak het grootste risico: als recepturen, alternatieve grondstoffen, yield-variaties of batchafsluiting niet correct gemodelleerd zijn, volgen er fouten in voorraad, kostprijs en traceability. Een sectorspecifiek systeem heeft hier vaak “ingebouwde aannames” die aansluiten bij de praktijk.
Foodmaster vermeldt kwaliteitscontrole en ondersteuning in de context van HACCP/GMP/IFS. In de voedingssector gaat kwaliteit verder dan registreren: je wil controles kunnen plannen, afwijkingen opvolgen, blokkades in voorraad afdwingen en auditsporen kunnen voorleggen. Als die processen in het ERP verweven zitten met productie en voorraad, verlaagt dat de kans op “shadow quality” in Excel of losse tools.
Belangrijk aandachtspunt: hoe ver die ondersteuning gaat (bijv. CAPA-flow, auditbeheer, digitale checklists, leverancierskwalificatie) is niet volledig af te leiden uit publieke info. Maar het feit dat het expliciet food-compliance benoemt, is een signaal dat de datamodellen en processen hierop afgestemd zijn.
In veel food-KMO’s is magazijnoperatie afhankelijk van scanning en weging: orderpicking met RF-scanners, ingangscontrole, weegposten, etiketten en touchscreens. Foodmaster benoemt expliciet RF-scanners/weegposten, ingangscontrole via scanners, automatisch stockbeheer met meerdere magazijncodes en koppelingen met weegschalen, etiketteersystemen/printers en scanners.
Dit is een belangrijk verschil met meer generieke ERP-suites: de vraag is niet alleen “kan het in theorie”, maar “is het bewezen op de vloer”. Warehouse execution is gevoelig voor latency, uitzonderingen, offline-situaties, gebruikersacceptatie en foutafhandeling. Een systeem dat historisch rond die flows gebouwd is, kan in de praktijk minder implementatierisico hebben.
Voor groothandel/distributie in voeding tellen snelheid, foutloos picken en correcte documentatie. Foodmaster benoemt orderpicking, routing voor chauffeurs, EDI en e-commerce. De waarde zit hier vaak in de combinatie: orders binnenhalen (eventueel via EDI), correct picken met lot-/datumcriteria, wegen, labelen en verzenden met correcte traceerbaarheid.
Ook hier is de nuance dat EDI en e-commerce “een wereld op zich” zijn: standaarden, message types en partners variëren. De vermelding is positief, maar in selectie wil je exact weten welke scenario’s standaard gedekt zijn (retail EDI vs B2B, DESADV/INVOIC/ORDERS, labelstandaarden) en waar maatwerk nodig is.
Voor Belgische KMO’s is financiële compliance vaak een niet-onderhandelbare randvoorwaarde. Foodmaster vermeldt Belgische boekhouding, analytische boekhouding, CODA en aangiftes zoals BTW/Intrastat/Prodcom. Dat wijst op een oplossing die expliciet rekening houdt met Belgische rapporteringspraktijken.
In de praktijk kan dit tijd besparen in implementatie en risico beperken bij afsluiting en audits, zeker wanneer finance-kennis intern beperkt is. Het blijft wel belangrijk om te verifiëren hoe updates en wijzigingen in wetgeving verwerkt worden en hoe afhankelijk je bent van leverancier of partner voor aanpassingen.
Odoo’s sterkte zit doorgaans niet in “diepere food-specifieke details”, maar in suite-breedte, platformeigenschappen en uitbreidbaarheid over meerdere bedrijfsdomeinen.
Veel voedingsbedrijven groeien naar meer commerciële en servicegerichte processen: accountmanagement, klantsegmentatie, prijsafspraken, promoties, servicevragen, portalfunctionaliteit voor klanten, HR-processen of projectwerking (bv. nieuwe productintroducties). Odoo biedt in de regel een brede set modules buiten productie en voorraad, wat relevant is wanneer je processen wil harmoniseren over de hele organisatie.
Het strategische voordeel is dat je minder afhankelijk wordt van losse puntoplossingen. Het risico is dat je, als de food-kernprocessen niet goed passen, alsnog extra tooling of maatwerk nodig hebt, waardoor het “suite-voordeel” afneemt.
Odoo is ontworpen als platform: uitbreiden via modules, integreren via standaard integratiepatronen en werken met een breed partnernetwerk. Dat kan voordelen geven in snelheid van innovatie, toegang tot connectors en beschikbaarheid van implementatiecapaciteit.
Daar staat een trade-off tegenover: meer keuze betekent ook meer variatie in kwaliteit. De implementatiepartner bepaalt vaak hoe “standaard” je blijft, hoe onderhoudbaar het maatwerk is en hoe goed integraties gemonitord worden. Voor besluitvorming is het dus belangrijk om Odoo niet als één product te zien, maar als product + implementatieaanpak + partnerkwaliteit.
Wanneer een voedingsgroep meerdere vestigingen, entiteiten of landen heeft, wordt ERP een standaardisatievraagstuk. Odoo wordt vaak gekozen om processen en masterdata te centraliseren, met een consistente manier van rapporteren over entiteiten heen. Voor bedrijven die acquisities doen of internationaal uitbreiden, kan een horizontale suite het landschap vereenvoudigen.
Voor een Belgische KMO zonder multi-entity ambitie is dit minder doorslaggevend, maar het kan wel relevant zijn als groei of buy-and-build op de middellange termijn op de agenda staat.
Odoo’s model stimuleert configuratie: velden en workflows aanpassen, rollen en rechten beheren, documentstromen standaardiseren en iteratief verbeteren. Dat kan leiden tot snellere verbetercycli dan bij oplossingen waar aanpassingen vooral via leverancierontwikkeling lopen.
De nuance: in complexe food-scenario’s (weegprocessen, specifieke traceability-regels, sectorlabels, EDI-varianten) kan “configuratie-only” onvoldoende zijn. Dan ontstaat het risico op maatwerk-schuld: aanpassingen die later upgrades bemoeilijken of testlast verhogen. Een volwassen Odoo-implementatie heeft daarom governance nodig rond maatwerk: wanneer wel, wanneer niet, en hoe documenteer/test je dit.
Odoo-implementaties worden vaak gebouwd met het idee dat data breed gebruikt wordt: operationele dashboards, BI, data-extractie naar een datawarehouse, en integraties met andere tools. In vergelijking met de beperkte publieke info over Foodmaster (exports naar Excel/PDF en een vermelde Power BI integratie), lijkt Odoo in de praktijk vaker ingebed in een breder data-ecosysteem.
Daar hoort ook een verantwoordelijkheid bij: meer datatoegang vraagt om datagovernance (definities, eigenaarschap, datakwaliteit, rechten). Een organisatie die dat niet organiseert, kan eindigen met meerdere “waarheden” in dashboards of met onbedoelde datalekrisico’s.
Foodmaster is zichtbaar geoptimaliseerd voor Belgische voedings-KMO’s met sterke noden rond productie, traceability, kwaliteit en shopfloor-operaties. Als jouw differentiator ligt in foutloos produceren en uitleveren binnen strikte compliance, is een verticale oplossing vaak logisch.
Odoo past doorgaans beter wanneer het probleem breder is dan de fabriek/magazijnvloer: je wil één platform voor commerciële processen, service, e-commerce, HR en rapportering, of je wil multi-entity standaardiseren. Het is minder een “food-ERP” en meer een bedrijfsplatform dat je richting food-realiteit moet configureren en valideren.
Onderstaande scorecard is bedoeld als gespreksstarter in workshops en demo’s. De exacte uitkomst hangt af van configuratie, scope en sector-specifieke add-ons, zeker bij Odoo.
De kerntrade-off: Foodmaster lijkt ontworpen rond food-best-practices en shopfloor-realiteit. Dat kan leiden tot betere procesfit in de fabriek en het magazijn met minder “modelleerwerk”. Odoo biedt eerder suite-standaardisatie: je kan processen uniform maken over afdelingen, maar je moet bewijzen dat de food-kern niet lijdt onder de standaardisatie.
Een praktische beslisvraag is: waar zit de grootste waarde en het grootste risico? Als 80% van je waarde zit in traceability, weging en foutloos picken, dan is verticale fit dominant. Als 80% van je waarde zit in commerciële slagkracht, data-gedreven sturing en multi-entity groei, kan suite-breedte domineren.
Foodmaster vermeldt integraties met onder andere Power BI en verschillende boekhoud-/financiële tools (Exact Online, Yuki, Venice, Multivers, Billit). Dat suggereert een landschap waarin Foodmaster een kernrol speelt, met koppelingen naar reporting en finance afhankelijk van de keuze van de klant.
Bij Odoo is een typische strategie om meer functies “in suite” te brengen (bv. finance of e-commerce native), en enkel te koppelen waar het echt waarde toevoegt. De winst is minder integratiecomplexiteit; het risico is dat je bestaande best-of-breed tooling opgeeft terwijl Odoo-configuratie nog niet volwassen is. Daarom is het belangrijk om per applicatie te beslissen: vervangen, integreren of uitfaseren.
Foodmaster vermeldt “twintigtal modules” en diverse integraties, maar publiek zijn weinig details beschikbaar over voorwaarden, API’s, uitbreidingsmodellen of roadmap. Dat maakt vendor-dependency een expliciet evaluatiepunt: hoe snel kunnen wensen gerealiseerd worden, wat kost dat, en hoe blijven upgrades beheersbaar?
Bij Odoo ligt dependency anders: je bent minder gebonden aan één leverancier, maar je wordt afhankelijk van (1) gekozen partner, (2) gemaakte maatwerkkeuzes en (3) discipline in release- en testbeheer. Een slecht beheerd Odoo-landschap kan net zo “locked-in” aanvoelen, alleen op een andere manier (maatwerk dat upgrades blokkeert).
Operations-risico zit vooral in continuïteit op de vloer: scanning/weging, lotnauwkeurigheid, traceerbaarheid en labelstromen. Elk nieuw systeem moet bewezen presteren bij piekbelasting, uitzonderingen (retours, blokkades, heretikettering) en met verschillende gebruikersprofielen.
IT-risico zit vooral in releasebeheer, integraties, datamodelkeuzes, beveiliging en hosting. Bij Foodmaster is de open vraag welke opties en SLA’s standaard zijn. Bij Odoo is de open vraag hoe je upgrades, maatwerk en connectoren beheerst zonder dat de onderhoudslast explodeert.
Voor Foodmaster is publiek geen AI-functionaliteit of advanced analytics beschreven. Dat betekent dat je bij AI-ambities (forecasting, anomaly detection, automatische kwaliteitsalerts) waarschijnlijk aangewezen bent op externe tooling of maatwerk rond data-export/BI.
Bij Odoo is “AI” geen eenduidige module in elke implementatie; mogelijkheden hangen af van versie, beschikbare add-ons en partneraanpak. Realistisch gezien gaat het in veel organisaties niet om “AI in het ERP”, maar om concrete automatiseringen rond data en processtappen.
Praktische AI-toepassingen die vaak relevant zijn in food (en die je in beide scenario’s kunt nastreven, maar met andere inspanning) zijn bijvoorbeeld:
De kernboodschap: AI-waarde ontstaat pas als basisdata consistent en toegankelijk zijn. Een ERP-keuze die datafragmentatie vermindert kan indirect meer AI-potentieel creëren, maar alleen als governance en integratie goed ingericht zijn.
Foodmaster vermeldt export naar Excel/PDF en een Power BI integratie. Dat kan volstaan voor operationele rapportering, maar voor meer geavanceerde sturing (near-real-time KPI’s, end-to-end marge-analyse, predictive analytics) wil je weten: hoe haal je data gestructureerd uit het systeem, hoe vaak, en met welke definities?
Odoo-omgevingen worden vaker opgezet met bredere datatoegang en integraties naar BI of datawarehouses. Dit kan sneller leiden tot uniforme KPI’s over verkoop, voorraad, productie en finance. Tegelijk is het risico dat dashboards “te snel” gebouwd worden zonder definities en datakwaliteitscontroles, wat besluitvorming juist vertroebelt.
Voor beide systemen is het zinvol om vóór de keuze een set KPI’s te definiëren die businesskritisch zijn (bv. OTIF, derving, yield, recall-time-to-answer, marge per klant/product, voorraadrotatie) en te testen hoe betrouwbaar en reproduceerbaar die KPI’s uit het systeem komen.
Los van de ERP-keuze is een aantal integratieprincipes essentieel:
In besluitvorming hoort daarom niet alleen een functionele demo, maar ook een integratievoorstel met datastromen, foutscenario’s en beheerrollen.
Foodmaster noemt expliciet integraties met weegschalen, etiketteersystemen/printers, scanners en touchscreens. Dat is vaak een indicatie dat de oplossing rekening houdt met de “laatste meter” op de vloer: gebruikersinterfaces, labeltemplates, weegprotocollen en traceability-registratie in één flow.
Bij Odoo is shopfloor/hardware-integratie meestal mogelijk, maar veel vaker afhankelijk van integratiepartners, middleware of maatwerk. Dit maakt een piloot op de vloer cruciaal. Een papierdemo of kantoorworkflow zegt weinig over performance, ergonomie en foutafhandeling bij echte pick- en weegprocessen.
Data sovereignty is voor veel voedingsbedrijven relevant door klantcontracten, audits, concurrentiegevoelige recepturen en privacy (bv. personeelsdata). Voor Foodmaster is publiek niet gespecificeerd of hosting EU/non-EU is, of self-hosting mogelijk is, en hoe back-ups, export, retentie en toegangsbeheer georganiseerd zijn. Dat creëert geen probleem op zich, maar wel een lijst met vragen die je contractueel moet uitklaren.
Voor Odoo bestaan doorgaans meerdere opties (cloud of on-premises, afhankelijk van editie en partnerkeuze). De essentie blijft: waar staan de data fysiek, wie heeft er toegang, hoe regel je back-ups en hersteltests, en hoe krijg je data eruit als je ooit moet migreren? Besluitvorming vraagt hier om harde antwoorden: datalocatie (EU), encryptie, logging, rollen/rechten, incidentprocedures en exportmogelijkheden.
In beide gevallen is “controle over data” meer dan een exportknop. Het gaat om: toegang tot een volledig datadump, reproduceerbaarheid van rapporten, en een werkbaar exit-scenario zonder operationele stilstand.
Een ERP-beslissing is pas vergelijkbaar als je totale kosten (TCO) over een periode (bv. 5 jaar) in kaart brengt. Denk in vier blokken:
Belangrijk: een overstap naar Odoo kan licentiekosten verlagen of verhogen afhankelijk van scope, maar de grote kosten zitten meestal in implementatie, integratie en change. Bij een bestaand vertical ERP kan optimaliseren goedkoper zijn, maar alleen als de functionele gaps en data/rapporteringbehoeften daarmee echt opgelost worden.
Voor productie en distributie is cutover geen IT-moment maar een operationele gebeurtenis. Kritische vragen zijn: ga je big bang of gefaseerd? Doe je een parallel run (oude en nieuwe voorraadadministratie) of niet? Hoe lang kan je organisatie dubbele processen dragen?
Specifiek in food zijn risico’s rond voorraad- en lotaccuratesse groot. Een kleine fout in lotregistratie kan maanden later een recall-onderzoek bemoeilijken. Continuïteit van label/weging/scanning is vaak een “go/no-go” criterium. Daarom moet in de planning expliciet tijd voorzien worden voor floor testing, performance testing en noodprocedures.
Datamigratie is zelden één taak; het zijn meerdere migraties met verschillende validaties:
De trade-off is vaak: meer historiek migreren geeft meer comfort, maar kost exponentieel meer test- en validatiewerk. Een realistisch migratieplan maakt expliciet wat je migreert, wat je archiveert en hoe je traceerbaarheid en auditvragen achteraf beantwoordt.
Veel organisaties onderschatten de integratie-implicaties van een ERP-switch. Start met een inventaris: BI (bv. Power BI), boekhouding, EDI, e-commerce, labelsoftware, weegsystemen, transportplanning, enzovoort. Per koppeling stel je de vraag: kan dit vervangen worden door een ERP-module, of blijft een koppeling nodig?
Bij Foodmaster lijken integraties een ingeburgerd model (bv. Power BI, verschillende financiële pakketten). Bij Odoo is de keuze vaak: meer in suite brengen en koppelingen verminderen, maar dan moet Odoo die processen ook echt volwassen ondersteunen. Soms is hergebruik mogelijk via middleware of gestandaardiseerde connectoren; soms is herbouw nodig omdat datamodellen en processtappen fundamenteel veranderen.
Een nuttig beslismoment is een integratie-POC op één kritieke stroom (bijv. EDI order-in tot levering, of weegpost tot label en voorraadupdate) om complexiteit en beheerlast vroeg zichtbaar te maken.
ROI is geloofwaardiger als je hem vertaalt naar meetbare effecten. Typische baten (niet gegarandeerd, wel vaak nagestreefd) zijn:
De bijbehorende KPI’s moeten vooraf vastliggen (bijv. OTIF, voorraadbetrouwbaarheid, derving %, sluitingstijd finance, recall response time). Zonder baseline meet je vooral gevoel, en dat maakt besluitvorming en evaluatie achteraf zwak.
Een rationeel kader om te beslissen:
In beide scenario’s geldt: de keuze hangt minder af van features op papier en meer van bewezen procesfit in jouw context, beheerbaarheid op lange termijn en contractueel geborgde afspraken rond data, upgrades en support.
Directie: het kernvraagstuk is strategische fit versus totale kost en risico. Foodmaster lijkt sterk in verticale food-processen met Belgische fit; Odoo kan aantrekkelijk zijn als je bredere suite-standaardisatie en groeiambities hebt. Vraag altijd naar 5-jaar TCO en operational risk.
Operations: prioriteit is proceszekerheid op de vloer. Scanning, weging, labeling, lotregistratie en kwaliteit moeten onder piekdruk werken. Een overstap is alleen verantwoord met een piloot op kritieke flows en duidelijke fallbackprocedures.
IT: focus op integratiebeheer, release- en teststrategie, security en data sovereignty. Bij Foodmaster zijn hosting/roadmap/API-vragen essentieel. Bij Odoo liggen risico’s vooral in partnerkeuze, maatwerkdiscipline en upgradebaarheid.
Een piloot is het moment waarop aannames getest worden. Focus op een klein maar kritisch pakket: lot/traceability, scanning/weging/labeling, kwaliteitscontrole en een basis financiële closing. Definieer succescriteria (performance, foutafhandeling, audittrail, gebruikersacceptatie) en laat ook “slechte dagen” testen: piekvolume, netwerkissues, uitzonderingen en correcties.
Een goede piloot levert niet alleen een ja/nee op, maar ook een realistische inschatting van implementatie-inspanning, datamigratiecomplexiteit en benodigde change in rollen en procedures.
Pantalytics kan een objectieve fit-gap analyse opzetten die expliciet vertrekt vanuit food-kritische processen: recepturen, lotbeheer, tracking & tracing, kwaliteitsregistratie, WMS/scanning, finance en EDI. Door must-haves en nice-to-haves te prioriteren ontstaat een scorecard die beslissingen transparant maakt, ook voor niet-IT stakeholders.
Naast functionaliteit is een doelarchitectuur nodig: welke applicaties blijven, welke verdwijnen, en hoe lopen datastromen. Pantalytics kan integratieprincipes concretiseren (realtime vs batch, masterdata ownership, monitoring) en een blueprint uitwerken voor BI/Power BI: definities, datalagen, governance en security.
Een migratieplan maakt datadomeinen en validaties expliciet: mapping van artikelstam en recepturen, keuze rond historiek (traceability/kwaliteit), opschoning en migratievolgorde. Specifiek in food is validatie op traceability en voorraadcorrectheid cruciaal; dat vraagt testscenario’s die verder gaan dan “records tellen”.
ERP-projecten falen zelden op techniek alleen, maar op governance: scope creep, onvoldoende testing, of onduidelijke cutover-afspraken. Pantalytics kan helpen met fasering, change impact analyse, teststrategie (incl. regressietests op floor flows), cutover-plan en hypercare, zodat de operatie niet de rekening betaalt van projectrisico.
Bij zowel een vertical ERP als een platform zoals Odoo bepaalt de partnerkwaliteit veel. Pantalytics kan partnercriteria en een RFP-proces opzetten, contract- en SLA-eisen definiëren (incl. data/hosting en updatebeleid) en tijdens build/go-live kwaliteitsbewaking doen op scope, designkeuzes en testresultaten.